Deze tekst is gebaseerd op de Richtlijn Gliomen van de Werkgroep Neuro-oncologie van de VvIK, en de Nederlandse Vereniging vpor Neurologie van 1 september 2002
Incidentie en pathogenese van glioom
Het
glioom is de meest voorkomende hersentumor met een incidentie van 5-7 per
100.000. De pathogenese van gliomen is, uitzondering daargelaten, vooralsnog
onbekend.
De
incidentie van het glioom bedraagt 5 tot 7 per 100.000. Voor Nederland betekent
dit 800 tot 1000 nieuwe glioom-patiënten per jaar. Het
aandeel van de laaggradige gliomen bedraagt ongeveer 20%. Astrocytomen maken 80
tot 90% uit van de gliomen, oligodendrogliomen en menggliomen 5 tot 10%. Het is niet bewezen dat de incidentie van hooggradige gliomen bij ouderen
stijgt. Over de pathogenese van gliomen is weinig bekend.
Behoudens ioniserende straling blijken exogene factoren geen rol te spelen. Uit moleculair genetisch onderzoek komt naar voren dat er tenminste twee
subtypen hooggradige astrocytomen te onderscheiden zijn: (1) het "de-novo"
type dat meer bij ouderen wordt gezien en zich kenmerkt door PTEN verlies of
mutatie, EGFR amplificatie of deleties van CDKN2A
en (2) het "progressie" type dat bij jongere patiënten wordt
gezien en veelal ontstaat uit laaggradige voorstadia met als genetisch kenmerk
p53 verlies of mutatie. Bij een aantal erfelijke
syndromen, zoals neurofibromatose, het zeldzame Turcot syndroom en het
Li-Fraumeni syndroom komen (ook) familiaire gliomen voor.
Gliomen zijn locaal infiltratief groeiende tumoren die in ongeveer 5% naar de
liquor-ruimten metastaseren en slechts bij hoge uitzondering buiten het
zenuwstelsel. Recidiefgroei na eerste behandeling
treedt in 72 tot 95% binnen een marge van 2 centimeter buiten het
oorspronkelijke tumorgebied op.
De klinische verschijnselen van een glioom zijn niet anders dan die veroorzaakt door elk willekeurig ander ruimte-innemend proces in de hersenen en hangen samen met de localisatie (epilepsie, uitval) en/of intracraniele drukverhoging.
De
klachten en verschijnselen van de glioompatiënt hangen samen met de localisatie
van de tumor, maar zijn niet specifiek en treden ook bij andere ruimte innemende
processen (metastase, abces) in de hersenen op. De klinische verschijnselen bestaan uit epileptische insulten (1), tekenen van intracraniële
drukverhoging (2), uitvalsverschijnselen van kracht, gevoel, taal of
gezichtsveld (3), psychische veranderingen (4) of combinaties hiervan. Bij het
laaggradig glioom staan epileptische aanvallen op de voorgrond en is het
neurologisch onderzoek vaak zonder afwijkingen. Snel progressieve
uitvalsverschijnselen en tekenen van intracraniële drukverhoging wijzen in het
algemeen op snelle groei, zoals bij een hooggradig glioom.
Beeldvorming
(CT en MRI) heeft een hoge sensitiviteit voor het aantonen van gliomen, maar
een veel minder hoge specificiteit. Het onderscheid tussen een hooggradig
glioom, een metastase en een abces kan moeilijk zijn. Dit geldt ook voor het
onderscheid tussen recidief glioom en radionecrose. Nieuw technieken (PET,
SPECT en MR spectroscopie) hebben een beperkte bijdrage in het maken van dit
onderscheid.
De beeldvormende diagnostiek van gliomen geschiedt met CT en MRI. Deze beeldvormende technieken zijn zeer sensitief voor het afbeelden van gliomen, maar veel minder specifiek. Zo is het onderscheid tussen een hooggradig glioom, een metastase en een abces niet altijd mogelijk met CT en MRI. Ook het onderscheid tussen laaggradig en hooggradig glioom kan problematisch zijn. Een intracerebraal hematoom kan de eerste manifestatie van een (hooggradig) glioom zijn. Contrastlekkage na intraveneuze contrasttoediening en omringend oedeem wijzen op een hooggradig glioom, maar ook zonder contrastlekkage kan een glioom hooggradig zijn: in één studie bedroeg dit 40% van de gliomen zonder contrastlekkage. SPECT, PET of MR spectroscopie kunnen bijdragen in de differentiatie tussen een glioom en een ander ruimte-innemend proces enerzijds, en in het onderscheid tussen een laaggradig en hooggradig glioom anderzijds. Postoperatieve beeldvorming ter beoordeling van resterend tumorweefsel moet binnen 72 uur plaatsvinden om tumorweefsel te kunnen onderscheiden van postoperatieve effecten. Onderscheid tussen recidief groei van het glioom na radiotherapie en locale effecten van radiotherapie (radionecrose) kan met CT en MRI problematisch zijn. SPECT of PET zijn in dit opzicht wel specifieker, maar 100% specificiteit wordt niet bereikt.
Histopathologisch onderzoek is de gouden standaard in de diagnostiek van gliomen, ook de moleculaire genetica krijgt een steeds grotere rol. Klinische en radiologische gegevens moeten altijd worden meegenomen in het stellen van de diagnose
De
gouden standaard in de diagnostiek van gliomen is het histopathologisch
onderzoek. Echter, door de aanzienlijke intratumorale heterogeniteit van de
gliomen worden correcte classificatie en gradering in kleine of
niet-representatieve biopten belemmerd. Het probleem van ''sampling error'' speelt
vooral bij naaldbiopten. Goede correlatie met radiologische gegevens, en
kritische evaluatie van discrepanties tussen radiologische en histologische
diagnose, is daarom van essentieel belang.
Het
is van essentieel belang dat men zich realiseert dat er in gliomen
heterogeniteit in plaats (binnen een
tumor weefsel van verschillende maligniteitsgraad, soms zelfs verschillende
tumorklassen) en tijd (ontwikkeling
van een laaggradig astrocytoom via een anaplastisch astrocytoom tot een
glioblastoom) bestaat. Aangezien het weefsel met de hoogste maligniteitsgraad
bepalend is voor de klinische progressie, wordt de maligniteitsgraad
van het meest maligne gedeelte bepalend voor de toegekende graad en daarmee
voor de prognose.
De
WHO verdeelt astrocytomen in laaggradig diffuus astrocytoom, anaplastisch
astrocytoom en glioblastoom. Binnen de groep van laaggradige
diffuse astrocytomen
wordt
De
grootste groep diffuse astrocytomen zijn de glioblastomen. Door de WHO worden ze
als hoogste graad astrocytoom beschouwd. Het zijn per definitie de meest maligne
astrocytaire tumoren; het minst gedifferentieerd, en tonen histologisch, naast
een groot aantal mogelijke kenmerken en structuren, gebieden met
vaatproliferatie en necrose.
De zeer uiteenlopende incidentiecijfers die voor het oligodendroglioom genoemd zijn (variërend van 5 tot 18% van de gliomengroep) illustreren de moeilijkheden in het diagnostiseren van deze tumor. Waar astrocytaire origine van tumorcellen langs immunohistochemische weg bewezen kan worden, ontbreken specifieke oligodendrogliale tumormerkers, en zijn de criteria voor neoplastische oligodendrocyten vooral histologisch bepaald. Bovendien worden in vrijwel alle oligodendrogliomen ook astrocytaire cellen gezien. Belangrijk en potentieel bepalend voor de diagnostiek zijn de specifieke genetische afwijkingen (verliezen op chromosoom 1p en 19q) die in oligodendrogliomen gevonden zijn. Ook voor oligodendrogliomen zijn graderingschema's opgesteld.
Om
tot de diagnose oligo-astrocytoom te komen volgt de WHO de opinie dat de
astrocytaire component tenminste 25% van de tumor moet uitmaken. Op grond van
histologische parameters die ook in de astrocytaire groep worden gehanteerd,
onderscheidt de WHO anaplastische oligoastrocytomen. De vraag of de gemengde
oligoastrocytomen ook werkelijk een groep vormen of slechts een histologisch
artefact zijn, zal misschien worden beantwoord met de resultaten van genetisch
onderzoek.
Behandeling
Laaggradig glioom
Een afwachtend beleid bij een patiënt met een - ook na herhaald MRI-onderzoek - voor laaggradig glioom verdachte laesie, die zich presenteert met enkel epileptische insulten, is gerechtvaardigd. Vroege operatie en/of radiotherapie van een laaggradig glioom met een dergelijke presentatie heeft nog niet geleid tot een betere prognose.
Neurochirurgie
Algemeen
geldt dat voor het geven van een behandelingsadvies aan de patiënt met een
tumor cerebri een weefseldiagnose vereist is. Echter, als
behandelingsconsequenties bij de huidige stand van zaken ontbreken, is
observatie een optie. Observatie is een optie bij een patiënt die zich met
één of meerdere epileptische insulten presenteert en bij wie op grond van
beeldvormend onderzoek (MRI) een sterke verdenking bestaat op een laaggradig
glioom: intra-axiaal gelegen laesie, geen aankleuring met contrast, weinig of
geen massa effect en geen omringend oedeem.. De
observatie van de patiënt houdt in: regelmatige controle van de patiënt door
neuroloog of neurochirurg (eerste jaar interval 3 tot 6 maanden, daarna interval
6 maanden tot een jaar), inclusief beeldvorming (MRI). In andere gevallen, als
er naast epilepsie andere neurologische klachten en/of verschijnselen zijn, of
als de beeldvorming niet geheel karakteristiek is voor een laaggradig glioom,
moet een weefseldiagnose verkregen worden. Hetzelfde geldt wanneer klinische
en/of radiologische progressie (d.w.z. groei van de tumor, contrastopname)
optreedt tijdens de observatie periode.
Bij
operatie wordt een maximale reductie van tumormassa nagestreefd, waarbij
uitgangspunt is dat het niet ten koste van neurologische functies mag gaan. Bij
een riskante locatie (diep gelegen en/of eloquent gebied) en als een (sub)totale
excisie niet haalbaar is (bijvoorbeeld betrokkenheid van het corpus callosum)
heeft een stereotactisch biopt de voorkeur. Het is dan zaak te biopteren in
het gebied waar de hoogste gradering verwacht kan worden, bij voorkeur in
een aankleurend deel van de tumor..
Radiotherapie
Op
grond van een prospectieve gerandomiseerde EORTC trial (22845) waarin het
effect van vroege radiotherapie voor het laaggradig glioom is onderzocht,
verbetert radiotherapie de overleving niet, maar geeft wel enig uitstel (in de
orde van maanden) van recidief groei.
Retrospectieve studies laten tegenstrijdige resultaten zien. In geval van
progressieve neurologische verschijnselen wordt in ieder geval radiotherapie
geadviseerd; ook dient bestraling overwogen te worden als de patiënt ouder is
dan 40 jaar. Indien er bestraald wordt bedraagt de totale
dosis een equivalent van 45 Gy in fracties van 1.8 tot 2 Gy. Het te bestralen
gebied (planning target volume, PTV) omvat het hyperintense gebied op de T2
gewogen pre-operatieve MRI met een marge van 2 cm.
Chemotherapie
(anaplastisch
astrocytoom, glioblastoma multiforme, anaplastisch oligodendroglioom, anaplastisch
oligo-astrocytoom)
Neurochirurgie
Naast een rol in de diagnostiek kan chirurgie, afhankelijk van de lokalisatie en grootte van de tumor, alsmede van de klinische verschijnselen bij de patiënt, positief bijdragen aan duur en kwaliteit van overleving. De resectie moet zo maximaal mogelijk zijn.
Bij
verdenking op een hooggradig glioom (kliniek, beeldvorming) wordt een maximale
resectie nagestreefd, waarbij uitgangspunt is dat de resectie niet ten koste mag
gaan van neurologische functies. Naast het verkrijgen van een weefseldiagnose is
het doel cytoreductie met vermindering van eventuele massawerking
(vermindering intracraniële druk, verbetering neurologische functies en directe
verlenging van overleving). Daarmee wordt ook de uitgangspositie voor
aanvullende therapie verbeterd. Zonder adjuvante therapie is cytoreductieve
chirurgie van beperkte waarde voor de patiënt. Andere chirurgische
mogelijkheden zijn drainage van een hydrocephalus of een met de tumor
geassocieerde cyste met verschijnselen van intracraniële drukverhoging. Bij
een diepgelegen proces in een eloquent gebied is resectie onmogelijk en heeft
een stereotactisch biopt de voorkeur.
Radiotherapie
Uitwendige
radiotherapie voor het hooggradig glioom is een bewezen effectieve
behandeling. Afhankelijk van prognostische factoren als leeftijd en conditie
van de patiënt en de PA diagnose wordt het bestralingsschema bepaald.
Stereotactische radiotherapie/radiochirurgie en brachytherapie zijn geen
standaardbehandelingen voor het hooggradig glioom
De
waarde van radiotherapie bij de behandeling van hooggradige gliomen is in een
aantal gerandomiseerde studies aangetoond, waarbij de mediane overleving van 4
maanden zonder radiotherapie tot 9 maanden toeneemt met radiotherapie. Het
bestralingsschema dient te worden afgestemd op de conditie van de patiënt en de
levensverwachting. Hiertoe kan gebruik gemaakt worden van de RTOG "recursive
partitioning analysis". Patiënten
met een hooggradig glioom worden in 6 groepen ingedeeld. Voor patiënten in de
drie gunstigste groepen (I-III) wordt een dosis van 60 Gy in 30 fracties van
2 Gy geadviseerd. In gerandomiseerd onderzoek is een voordeel aangetoond van
een dosis van 60 Gy vergeleken met 45 Gy. Het
verhogen van de dosis van 60 naar 70 Gy heeft geen voordeel. Patiënten in groepen IV en V hebben een kortere
levensverwachting
en dienen met een korter schema bestraald te worden, bijvoorbeeld 45 Gy in 15
fracties van 3 Gy. Dergelijke schema´s worden goed getolereerd en laten voor
deze patiënten een overlevingsduur zien die vergelijkbaar is met conventionele
schema´s. Voor patiënten in groep VI zal men, gezien de zeer
slechte prognose van deze patiënten, slechts kiezen voor ondersteunende
therapie of een kort palliatief bestralingsschema. Het bestralingsvolume (PTV)
omvat het aankleurende gebied op de pre-operatieve CT of MRI scan met een marge
van 2 tot 2,5 cm, omdat zich binnen deze grenzen veruit de meeste recidieven
voordoen. Bij patiënten in de groepen I-III wordt
het gebruik van een lokalisatie CT scan aanbevolen.
Er bestaat geen indicatie om standaard de gehele schedelinhoud te bestralen. De toepassing van hyperfractionatie en hypoxic cell sensitizers heeft blijkens gerandomiseerde studies niet geleid tot betere resultaten dan de standaard bestraling.
Bij
laesies kleiner dan 5 cm kan overwogen worden om na conventionele
radiotherapie een boost te geven door middel van brachytherapie (<5 cm) of
stereotactische radiotherapie (<3 cm). Er zijn echter nog geen
gerandomiseerde studies die een voordeel van deze aanpak hebben laten zien.
Het
streven is om binnen 4 weken na operatie de bestraling te beginnen.
Chemotherapie
Adjuvante
chemotherapie (d.w.z. aansluitend aan operatie en radiotherapie) voor het
hooggradig glioom is geen ”gebruikelijke behandeling” in Nederland.
Adjuvante chemotherapie (d.w.z. tijdens en/of aansluitend op radiotherapie) voor hooggradige astrocytaire tumoren is in Europa geen standaardbehandeling en dient vooralsnog alleen in studieverband gegeven te worden. Bij hooggradige astrocytaire tumoren wordt een geringe (10%) winst van de 18- en 24 maandsoverleving gezien. Andere studies laten geen overlevingswinst zien. De slechts 10% winst in overleving met adjuvante chemotherapie weegt volgens velen niet op tegen de belasting van chemotherapie.
Behandeling van recidief gliomen
Behandeling van recidiefgroei van een glioom kan, afhankelijk van eerdere behandeling, PA diagnose, lokalisatie en uitgebreidheid van de tumor, en de conditie van de patiënt bestaan uit chirurgie, (re)irradiatie, chemotherapie of een combinatie van deze behandelingen. De enige standaardbehandeling is PCV chemotherapie voor recidief oligodendrogliale tumoren
Er
kunnen zich nu verschillende situaties voordoen:
Laaggradig glioom, dat, al dan niet behandeld, opnieuw groei vertoont en waarvoor geen operatie plaatsvindt
Laaggradig glioom, dat, al dan niet behandeld, opnieuw groei vertoont en waarvoor een tweede operatie plaatsvindt met een hernieuwde PA diagnose (laag- of hooggradig glioom)
Hooggradig glioom, dat na behandeling opnieuw groei vertoont en waarvoor geen
Hooggradig glioom, dat na behandeling opnieuw groei vertoont en waarvoor een
tweede operatie plaatsvindt met een hernieuwde PA diagnose (hooggradig glioom).
Neurochirurgie
Bij
recidief groei kan een maximale resectie overwogen worden voor enerzijds nieuwe
weefseldiagnostiek (dedifferentiatie glioom, nieuwe oligodendrogliale
component?) en anderzijds cytoreductie met het oog op aanvullende therapie.
Ook chirurgische behandeling ter verlichting van intracraniële drukverhoging
kan zinvol zijn. Bij een riskante plaats moet een stereotactisch biopt
overwogen worden. Chirurgie is geen standaardbehandeling voor patiënten met een
recidief glioom.
Radiotherapie
Bij
recidief laaggradig astrocytoom en niet eerdere bestraling dient dit alsnog
gegeven te worden: voor details radiotherapie zie nieuw gediagnosticeerd
glioom.
Bij eerdere bestraling is, naast een tweede operatie, herbestraling te overwegen. De mogelijkheid tot herbestraling is afhankelijk van het interval tussen primaire manifestatie en recidief (tenminste één jaar), de conditie van de patiënt en het te bestralen volume. De totale dosis radiotherapie bedraagt dan een equivalent van 45 Gy in fracties van 1.8 tot 2 Gy.
Het
glioblastoma multiforme, het anaplastisch astrocytoom en het oligodendroglioom
verschillen in gevoeligheid voor chemotherapie. Oligodendrogliale tumoren zijn
chemotherapie gevoelige tumoren: tweederde van de patiënten met een recidief
tumor reageert gunstig op chemotherapie.. Hoewel in
mindere mate, zijn ook laaggradige gliomen en het anaplastisch astrocytoom
chemotherapie gevoelig, hetgeen uit fase II studies bij recidief tumorgroei
blijkt.
Bij
een recidief laaggradig- of anaplastisch oligodendroglioom dan wel mengglioom
(na eerdere
Bij een recidief laaggradig astrocytoom dat reeds bestraald is en dedifferentieert tot een hooggradige astrocytaire tumor of bij recidief hooggradige astrocytaire tumoren, is systemische chemotherapie (bijvoorbeeld PCV, Temozolomide) een optie. Bij recidief glioblastoma multiforme is de respons op Temozolomide beduidend slechter (6 tot 8%) en is chemotherapie (bijvoorbeeld PCV) alleen te overwegen in studieverband of bij een sterke behandelingswens. Locale intratumorale chemotherapie met BCNU leidt bij patiënten met een recidief glioblastoma multiforme tot een overlevingswinst van enkele maanden.
Andere behandelingen voor gliomen
Corticosteroïden
bestrijden het peritumorale oedeem en daarmee (een deel van) de klinische
verschijnselen van de glioompatient. Gezien de bijwerkingen en interacties met
andere medicatie is het streven om corticosteroïden zo kort als mogelijk, in
een zo laag mogelijke dosering voor te schrijven. Met een dosering van
tweemaal per dag kan worden volstaan.
Glucocorticoïden
zoals dexamethason worden bij glioompatiënten toegepast ter bestrijding van het
oedeem dat de tumor omringt en (een deel van) de klachten en verschijnselen
veroorzaakt. Het effect van dexamethason is binnen enkele uren tot enkele
dagen merkbaar.. Gezien de halfwaardetijd van dexamethason kan met
een dosering van tweemaal per dag worden volstaan. De dagdosis bedraagt 4
tot 16 mg, bij glioompatiënten is geen vergelijkend onderzoek verricht naar
de optimale dagdosis. Naast bekende bijwerkingen, zoals osteoporose, diabetes
mellitus en steroïdmyopathie kan door lever-enzyminductie interactie met andere
medicatie optreden (bijvoorbeeld fenytoïne).
Maagbeschermers
dienen te worden voorgeschreven bij gelijktijdig gebruik van NSAID´s of
maagklachten in de anamnese.
Corticosteroïden
beïnvloeden de bloedhersenbarrière, waardoor minder contrastlekkage optreedt
bij CT of MRI onderzoek en er schijnbaar minder tumorweefsel is.
Ook chemotherapie bereikt het tumorweefsel in vitro minder goed bij gelijktijdig
gebruik van dexamethason.
Omdat
oedeem rond het laaggradig glioom meestal ontbreekt of van beperkte omvang is,
worden corticosteroïden maar zelden toegepast bij patiënten met een laaggradig
glioom in tegenstelling tot de patiënten met een hooggradig glioom.
Postoperatief moet dexamethason binnen dagen tot enkele weken worden afgebouwd en zo mogelijk gestaakt. Tijdens bestraling kan zich door vorming van oedeem een tijdelijke klinische verslechtering voordoen, waarvoor corticosteroïden worden gegeven. Corticosteroïden worden niet standaard voorgeschreven tijdens radiotherapie.
Profylactische
anti-epileptica bij een glioompatiënt zijn niet zinvol.
Onderhoudstherapie
met anti-epileptica wordt alleen toegepast indien zich insulten voordoen. Het
is niet aangetoond dat postoperatieve profylaxe met anti-epileptica zinvol is.
Medicatie in de terminale fase
Behandelopties in de terminale fase van de glioompatiënt zijn dexamethason en morfine voor hoofdpijn, intraveneuze benzodiazepines voor onrust en insulten, en het acuut staken van dexamethason als de patiënt niet meer aanspreekbaar is.
In
de terminale fase van een glioompatiënt met tekenen van intracraniële
drukverhoging kan de dexamethason in één keer gestaakt worden als de patiënt
niet meer aanspreekbaar is. De patiënt overlijdt dan doorgaans door progressief
hersenoedeem al dan niet in combinatie met bijnierschorsinsufficiëntie.
Hoofdpijnklachten
kunnen bij onvoldoende effect van dexamethason met morfine worden bestreden.
Het is zinvol om ook in de terminale fase anti-epileptische medicatie te continueren. Met intraveneus toegediende benzodiazepines, zoals midazolam, kunnen onrust en epileptische aanvallen in de terminale fase worden bestreden.
Experimentele behandelingen
Boron
Neutron Capture Therapie, gentherapie en anti-angiogene medicatie zijn experimentele behandelingen voor hooggradige gliomen die in fase I en
II studies onderzocht worden. Andere toedieningswijzen van chemotherapie (intra-arterieel)
of hoge dosis chemotherapie met autologe beenmergtransplantatie hebben
vooralsnog geen plaats in de behandeling van gliomen. De relatief gunstige
resultaten van enkele studies zijn waarschijnlijk te verklaren door de selectie
die ten grondslag ligt aan dergelijke intensieve behandelingen..
De prognose van de glioompatiënt wordt sterker bepaald door factoren van de tumor (classificatie en gradering) en de patiënt (leeftijd, mate van handicap) dan door de behandeling
Naast
klinische follow-up heeft regelmatig beeldvormend onderzoek met name zin als
er voor recidief tumorgroei behandelopties zijn.
Follow-up
na behandeling van de glioompatiënt geschiedt bij voorkeur door één van de
specialisten (neuroloog, neurochirurg, radiotherapeut of internist-oncoloog),
die bij problemen moet overleggen met de andere specialisten.
Regelmatig
beeldvormend onderzoek na behandeling van een glioompatiënt heeft met name
zin als er behandelingsconsequenties aan verbonden zijn bij recidief
tumorgroei.
Recidief
tumorgroei en radionecrose kunnen met beeldvorming moeilijk van elkaar te onderscheiden
zijn (zie diagnostiek). Ook bij locale radionecrose kan, evenals bij tumorgroei,
door de ruimte-innemende werking de klinische toestand van de patiënt
verslechteren. Soms moet er chirurgische behandeling plaatsvinden van
radionecrose.
De
prognose van de glioompatiënt hangt meer samen met factoren van de patiënt
(leeftijd, mate van handicap) en de tumor (classificatie en gradering) dan met
de behandeling. De mediane overleving van een patiënt met een
laaggradig glioom varieert van 5 tot ruim 15 jaar. Bij
het hooggradig glioom ligt deze tussen slechts 9 maanden voor het
glioblastoma multiforme en 24 maanden voor het anaplastische astrocytoom. Patiënten met een
oligodendroglioom of een mengglioom hebben een
betere prognose dan astrocytoompatiënten.