Deze tekst is gebaseerd op de Richtlijn Gliomen van de Werkgroep Neuro-oncologie van de VvIK, en de Nederlandse Vereniging vpor Neurologie van 1 september 2002

Incidentie en pathogenese van glioom

Het glioom is de meest voorkomende hersentumor met een incidentie van 5-7 per 100.000. De pathogenese van gliomen is, uitzondering daargelaten, vooralsnog onbekend.

De incidentie van het glioom bedraagt 5 tot 7 per 100.000. Voor Nederland betekent dit 800 tot 1000 nieuwe glioom-patiënten per jaar.  Het aandeel van de laaggradige gliomen bedraagt ongeveer 20%. Astrocytomen maken 80 tot 90% uit van de gliomen, oligoden­drogliomen en menggliomen 5 tot 10%. Het is niet bewezen dat de incidentie van hooggradige gliomen bij ouderen stijgt. Over de pathogenese van gliomen is weinig bekend.­ Behoudens ioniserende straling blijken exogene factoren geen rol te spelen. Uit moleculair genetisch onderzoek komt naar voren dat er tenminste twee subtypen hooggradige astrocytomen te onderscheiden zijn: (1) het "de-novo" type dat meer bij ouderen wordt gezien en zich kenmerkt door PTEN verlies of mutatie, EGFR amplificatie of deleties van CDKN2A  en (2) het "progressie" type dat bij jongere patiënten wordt gezien en veelal ontstaat uit laaggradige voorstadia met als genetisch kenmerk p53 verlies of mutatie. Bij een aantal erfelijke syndromen, zoals neurofibromatose, het zeldzame Turcot syndroom en het Li-Fraumeni syndroom komen (ook) familiaire gliomen voor. Gliomen zijn locaal infiltratief groeiende tumoren die in ongeveer 5% naar de liquor-ruimten metastaseren en slechts bij hoge uitzondering buiten het zenuwstelsel. Recidief­groei na eerste behandeling treedt in 72 tot 95% binnen een marge van 2 centimeter buiten het oorspronkelijke tu­morge­bied op. 

Kliniek

De klinische verschijnselen van een glioom zijn niet anders dan die veroorzaakt door elk willekeurig ander ruimte-innemend proces in de hersenen en hangen samen met de localisatie (epilepsie, uitval) en/of intracraniele drukverhoging.

De klachten en verschijnselen van de glioompatiënt hangen samen met de localisatie van de tumor, maar zijn niet specifiek en treden ook bij andere ruimte innemende processen (metastase, abces) in de hersenen op. De klinische verschijnselen bestaan uit epileptische insulten (1), tekenen van intracraniële druk­verhoging (2), uitvalsver­schijnselen van kracht, gevoel, taal of gezichtsveld (3), psychische veranderingen (4) of combinaties hiervan. Bij het laaggradig glioom staan epileptische aanvallen op de voor­grond en is het neurologisch onderzoek vaak zonder afwijkingen. Snel progressieve uitvalsverschijnselen en tekenen van intracraniële drukverhoging wijzen in het algemeen op snelle groei, zoals bij een hooggradig glioom.

Beeldvormende diagnostiek

Beeldvorming (CT en MRI) heeft een hoge sensitiviteit voor het aantonen van gliomen, maar een veel minder hoge specificiteit. Het onderscheid tussen een hooggradig glioom, een metastase en een abces kan moeilijk zijn. Dit geldt ook voor het onderscheid tussen recidief glioom en radionecrose. Nieuw technieken (PET, SPECT en MR spectroscopie) hebben een beperkte bijdrage in het maken van dit onderscheid.

De beeldvormende diagnostiek van gliomen geschiedt met CT en MRI. Deze beeldvormende technieken zijn zeer sensitief voor het afbeelden van gliomen, maar veel minder specifiek. Zo is het onderscheid tussen een hooggradig glioom, een metastase en een abces niet altijd mogelijk met CT en MRI. Ook het onderscheid tussen laaggradig en hooggradig glioom kan problematisch zijn. Een intracerebraal hematoom kan de eerste manifestatie van een (hooggradig) glioom zijn. Contrastlekkage na intraveneuze contrasttoediening en omringend oedeem wijzen op een hooggradig glioom, maar ook zonder contrastlekkage kan een glioom hooggradig zijn: in één studie bedroeg dit 40% van de gliomen zonder contrastlekkage. SPECT, PET of MR spectroscopie kunnen bijdragen in de differentiatie tussen een glioom en een ander ruim­te-innemend proces enerzijds, en in het onderscheid tussen een laag­gradig en hooggradig glioom ander­zijds. Postoperatieve beeldvorming ter beoordeling van resterend tumor­weefsel moet binnen 72 uur plaatsvinden om tumorweefsel te kun­nen onderscheiden van postoperatieve effecten. Onderscheid tussen recidief groei van het glioom na radiotherapie en locale effecten van radiotherapie (radionecrose) kan met CT en MRI problematisch zijn. SPECT of PET zijn in dit opzicht wel specifieker, maar 100% specificiteit wordt niet bereikt.

Neuropathologie

Histopathologisch onderzoek is de gouden standaard in de diagnostiek van gliomen, ook de moleculaire genetica krijgt een steeds grotere rol. Klinische en radiologische gegevens moeten altijd worden meegenomen in het stellen van de diagnose

De gouden standaard in de diagnostiek van gliomen is het histopathologisch onderzoek. Echter, door de aanzienlijke intratumorale heterogeniteit van de gliomen worden correcte classificatie en gradering in kleine of niet-representatieve biopten belemmerd. Het probleem van ''sampling error'' speelt vooral bij naaldbiopten. Goede correlatie met radiologische gegevens, en kritische evaluatie van discrepanties tussen radiologische en histologische diagnose,  is daarom van essentieel belang.

Het is van essentieel belang dat men zich realiseert dat er in gliomen heterogeniteit in plaats (binnen een tumor weefsel van verschillende maligniteitsgraad, soms zelfs verschillende tumorklassen) en tijd (ontwikkeling van een laaggradig astrocytoom via een anaplastisch astrocytoom tot een glioblastoom) bestaat. Aangezien het weefsel met de hoogste maligniteitsgraad bepalend is voor de klinische progressie, wordt de maligniteitsgraad van het meest maligne gedeelte bepalend voor de toegekende graad en daarmee voor de prognose.

De WHO verdeelt astrocytomen in laaggradig diffuus astrocytoom, anaplastisch astrocytoom en glioblastoom. Binnen de groep van laaggradige diffuse astrocytomen wordt histologisch het fibrillaire astrocytoom, het protoplasmatische astrocytoom en het gemistocytaire astrocytoom gezien. Hoewel bekend is dat de aanwezigheid van gemistocyten in zowel astrocytomen als oligodendrogliomen geassocieerd is met progressie tot anaplastische (hooggradige) tumoren, rechtvaardigt hun aanwezigheid niet zonder meer indeling in de anaplastische groep. Een astrocytoom wordt een maligniteitsgraad toegekend, waarvoor een aantal graderingsschema's ter beschikking staan. Histologische parameters als kern-atypie (hyperchromasie), mitosen-frequentie, celdichtheid, vaat/endotheelproliferatie en necrose worden in een maligniteitsgraad vertaald. De WHO omschrijft niet expliciet een graderingschema, maar noemt de histologische parameters celdichtheid en kerncytoplasma verhouding als kenmerken die de laaggradige diffuse astrocytomen van de anaplastische astrocytomen afgrenzen.

De grootste groep diffuse astrocytomen zijn de glioblastomen. Door de WHO worden ze als hoogste graad astrocytoom beschouwd. Het zijn per definitie de meest maligne astrocytaire tumoren; het minst gedifferentieerd, en tonen histologisch, naast een groot aantal mogelijke kenmerken en structuren, gebieden met vaatproliferatie en necrose.

De zeer uiteenlopende incidentiecijfers die voor het oligodendroglioom genoemd zijn (variërend van 5 tot 18% van de gliomengroep) illustreren de moeilijkheden in het diagnostiseren van deze tumor. Waar astrocytaire origine van tumorcellen langs immunohistochemische weg bewezen kan worden, ontbreken specifieke oligodendrogliale tumormerkers, en zijn de criteria voor neoplastische oligodendrocyten vooral histologisch bepaald. Bovendien worden in vrijwel alle oligodendrogliomen ook astrocytaire cellen gezien. Belangrijk en potentieel bepalend voor de diagnostiek zijn de specifieke genetische afwijkingen (verliezen op chromosoom 1p en 19q) die in oligodendrogliomen gevonden zijn. Ook voor oligodendrogliomen zijn graderingschema's opgesteld.

Om tot de diagnose oligo-astrocytoom te komen volgt de WHO de opinie dat de astrocytaire component tenminste 25% van de tumor moet uitmaken. Op grond van histologische parameters die ook in de astrocytaire groep worden gehanteerd, onderscheidt de WHO anaplastische oligoastrocytomen. De vraag of de gemengde oligoastrocytomen ook werkelijk een groep vormen of slechts een histologisch artefact zijn, zal misschien worden beantwoord met de resultaten van genetisch onderzoek.

Behandeling

Laaggradig glioom (astrocytoom, oligodendroglioom, oligo-astrocytoom)  

Een afwachtend beleid bij een patiënt met een - ook na herhaald MRI-onderzoek - voor laaggradig glioom verdachte laesie, die zich presenteert met enkel epileptische insulten, is gerechtvaardigd. Vroege operatie en/of radiotherapie van een laaggradig glioom met een dergelijke presentatie heeft nog niet geleid tot een betere prognose.

Neurochirurgie

Algemeen geldt dat voor het geven van een behandelingsadvies aan de patiënt met een tumor cerebri een weefseldiagnose vereist is. Echter, als behandelingsconsequenties bij de huidige stand van zaken ontbreken, is observatie een optie. Observatie is een optie bij een patiënt die zich met één of meerdere epileptische insulten presenteert en bij wie op grond van beeldvormend onderzoek (MRI) een sterke verdenking bestaat op een laaggradig glioom: intra-axiaal gelegen laesie, geen aankleuring met contrast, weinig of geen massa effect en geen omringend oedeem.. De observatie van de patiënt houdt in: regelmatige controle van de patiënt door neuroloog of neurochirurg (eerste jaar interval 3 tot 6 maanden, daarna interval 6 maanden tot een jaar), inclusief beeldvorming (MRI). In andere gevallen, als er naast epilepsie andere neurologische klach­ten en/of verschijnselen zijn, of als de beeldvorming niet geheel karakteristiek is voor een laaggradig glioom, moet een weefseldiagnose verkregen worden. Hetzelfde geldt wanneer klinische en/of radiologische progressie (d.w.z. groei van de tumor, contrast­opname) optreedt tijdens de observatie periode.

Bij operatie wordt een maximale reductie van tumormassa nagestreefd, waarbij uitgangspunt is dat het niet ten koste van neurologische functies mag gaan. Bij een riskante locatie (diep gelegen en/of eloquent gebied) en als een (sub)totale excisie niet haalbaar is (bijvoorbeeld betrokkenheid van het corpus callosum) heeft een stereotactisch biopt de voorkeur. Het is dan zaak te biopteren in het gebied waar de hoogste gradering verwacht kan worden, bij voorkeur in een aankleurend deel van de tumor..

Radiotherapie

Op grond van een prospectieve gerandomiseerde EORTC trial (22845) waarin het effect van vroege radiotherapie voor het laaggradig glioom is onderzocht, verbetert radiotherapie de overleving niet, maar geeft wel enig uitstel (in de orde van maanden) van recidief groei. Retrospectieve studies laten tegenstrijdige resultaten zien. In geval van progressieve neurologische verschijnselen wordt in ieder geval radiotherapie geadviseerd; ook dient bestraling overwogen te worden als de patiënt ouder is dan 40 jaar. Indien er bestraald wordt bedraagt de totale dosis een equivalent van 45 Gy in fracties van 1.8 tot 2 Gy. Het te bestralen gebied (planning target volume, PTV) omvat het hyperintense gebied op de T2 gewogen pre-operatieve MRI met een marge van 2 cm. Deze gegevens zijn gebaseerd op een tweede prospectieve EORTC trial (22844) waarin het effect van twee doses straling vergeleken is. Er was geen verschil in overleving tussen patiënten die met 59.4 Gy of die met 45 Gy bestraald werden. Ook uit een recente Amerikaanse gerandomiseerde studie blijkt dat een hogere dosis (64.8 Gy versus 50.4 Gy) de overleving niet verbetert.  De kwaliteit van leven van patiënten die met 45 Gy be­straald werden was echter beter dan in de groep van 59.4 Gy.

Chemotherapie

 Hoewel er kleine studies zijn verricht naar het effect van chemotherapie bij het laaggradig glioom, met name bij het oligodendroglioom, is er op dit moment geen plaats voor chemotherapie als adjuvante behandeling.

 

Hooggradig glioom

(anaplastisch astrocytoom, glioblastoma multiforme, anaplastisch oligodendroglioom,  anaplastisch oligo-astrocytoom)

Neurochirurgie  

Naast een rol in de diagnostiek kan chirurgie, afhankelijk van de lokalisatie en grootte van de tumor, alsmede van de klinische verschijnselen bij de patiënt, positief bijdragen aan duur en kwaliteit van overleving. De resectie moet zo maximaal mogelijk zijn.

Bij verdenking op een hooggradig glioom (kliniek, beeldvorming) wordt een maximale resectie nagestreefd, waarbij uitgangspunt is dat de resectie niet ten koste mag gaan van neurologische functies. Naast het verkrijgen van een weefseldiagnose is het doel cytoreductie met verminde­ring van eventu­ele massawerking (vermindering intracraniële druk, verbetering neurologische functies en direc­te verlenging van overleving). Daarmee wordt ook de uitgangspo­sitie voor aanvullende therapie verbeterd. Zonder adjuvante therapie is cytoreductieve chirurgie van beperkte waarde voor de patiënt. Andere chirurgische mogelijkheden zijn drainage van een hydro­cephalus of een met de tumor geassocieerde cyste met ver­schijnselen van intracraniële drukverhoging. Bij een diepgelegen proces in een eloquent gebied is resectie onmogelijk en heeft een stereotactisch biopt de voorkeur.

Radiotherapie

Uitwendige radiotherapie voor het hooggradig glioom is een bewezen effectieve behandeling. Afhankelijk van prognostische factoren als leeftijd en conditie van de patiënt en de PA diagnose wordt het bestralingsschema bepaald. Stereotactische radiotherapie/radiochirurgie en brachytherapie zijn geen standaardbehandelingen voor het hooggradig glioom

De waarde van radiotherapie bij de behandeling van hooggradige gliomen is in een aantal gerandomiseerde studies aangetoond, waarbij de mediane overleving van 4 maanden zonder radiotherapie tot 9 maanden toeneemt met radiotherapie. Het bestralingsschema dient te worden afgestemd op de conditie van de patiënt en de levensverwachting. Hiertoe kan gebruik gemaakt worden van de RTOG "recursive partitioning analysis". Patiënten met een hooggradig glioom worden in 6 groepen ingedeeld. Voor patiënten in de drie gunstigste groepen (I-III) wordt een dosis van 60 Gy in 30 fracties van 2 Gy geadviseerd. In gerandomiseerd onderzoek is een voordeel aangetoond van een dosis van 60 Gy vergeleken met 45 Gy. Het verhogen van de dosis van 60 naar 70 Gy heeft geen voordeel. Patiënten in groepen IV en V hebben een kortere levensverwachting en dienen met een korter schema bestraald te worden, bijvoorbeeld 45 Gy in 15 fracties van 3 Gy. Dergelijke schema´s worden goed getolereerd en laten voor deze patiënten een overlevingsduur zien die vergelijkbaar is met conventionele schema´s. Voor patiënten in groep VI zal men, gezien de zeer slechte prognose van deze patiënten, slechts kiezen voor ondersteunende therapie of een kort palliatief bestralingsschema. Het bestralingsvolume (PTV) omvat het aankleurende gebied op de pre-operatieve CT of MRI scan met een marge van 2 tot 2,5 cm, omdat zich binnen deze grenzen veruit de meeste recidieven voordoen. Bij patiënten in de groepen I-III wordt het gebruik van een lokalisatie CT scan aanbevolen.

Er bestaat geen indicatie om standaard de gehele schedelinhoud te bestralen. De toepassing van hyperfractionatie en hypoxic cell sensitizers heeft blijkens gerandomiseerde studies niet geleid tot betere resultaten dan de standaard bestraling.

Bij laesies kleiner dan 5 cm kan overwogen worden om na conventionele radiotherapie een boost te geven door middel van brachy­therapie (<5 cm) of stereotactische radiotherapie (<3 cm). Er zijn echter nog geen gerandomiseerde studies die een voordeel van deze aanpak hebben laten zien­.

Het streven is om binnen 4 weken na operatie de bestraling te beginnen.

Chemotherapie

Adjuvante chemotherapie (d.w.z. aansluitend aan operatie en radiotherapie) voor het hooggradig glioom is geen ”gebruikelijke behandeling” in Nederland.

Adjuvante chemotherapie (d.w.z. tijdens en/of aansluitend op radiotherapie) voor hooggradige astrocytaire tumoren is in Europa geen standaardbehandeling en dient vooralsnog alleen in studieverband gegeven te worden. Bij hooggradige astrocytaire tumoren wordt een geringe (10%) winst van de 18- en 24 maands­overleving gezien. Andere studies laten geen overlevingswinst zien. De slechts 10% winst in overleving met adjuvante chemothe­rapie weegt volgens velen niet op tegen de belasting van chemotherapie.

Behandeling van recidief gliomen

Behandeling van recidiefgroei van een glioom kan, afhankelijk van eerdere behandeling, PA diagnose, lokalisatie en uitgebreidheid van de tumor, en de conditie van de patiënt bestaan uit chirurgie, (re)irradiatie, chemotherapie of een combinatie van deze behandelingen. De enige standaardbehandeling is PCV chemotherapie voor recidief oligodendrogliale tumoren

Er kunnen zich nu verschillende situaties voordoen:

Neurochirurgie

Bij recidief groei kan een maximale resectie overwogen worden voor enerzijds nieuwe weefseldiagnostiek (dedifferentiatie glioom, nieuwe oligodendrogliale component?) en anderzijds cytoreductie met het oog op aanvullen­de therapie. Ook chirurgische behandeling ter verlichting van intracraniële drukverhoging kan zinvol zijn. Bij een riskante plaats moet een stereotactisch biopt overwogen worden. Chirurgie is geen standaardbehandeling voor patiënten met een recidief glioom.

Radiotherapie

Bij recidief laaggradig astrocytoom en niet eerdere bestraling dient dit alsnog gegeven te worden: voor details radiotherapie zie nieuw gediagnosticeerd glioom.

Bij eerdere bestraling is, naast een tweede operatie, herbestraling te overwegen. De mogelijkheid tot  herbestraling is afhankelijk van het interval tussen primaire manifestatie en recidief (tenminste één jaar), de conditie van de patiënt en het te bestralen volume. De totale dosis radiotherapie bedraagt dan een equivalent van 45 Gy in fracties van 1.8 tot 2 Gy.

 Chemotherapie

Het glioblastoma multiforme, het anaplastisch astrocytoom en het oligodendroglioom verschillen in gevoeligheid voor chemotherapie. Oligodendrogliale tumoren zijn chemotherapie gevoelige tumoren: tweederde van de patiënten met een recidief tumor reageert gunstig op chemotherapie.. Hoewel in mindere mate, zijn ook laaggradige gliomen en het anaplastisch astrocytoom chemotherapie gevoelig, hetgeen uit fase II studies bij recidief tumorgroei blijkt.

Bij een recidief laaggradig- of anaplastisch oligodendroglioom dan wel mengglioom (na eerdere bestraling) is  PCV chemotherapie standaardbehandeling, al dan niet in combinatie met chirurgische behandeling.

Bij een recidief laaggradig astrocytoom dat reeds bestraald is en dedifferentieert tot een hooggradige astrocytaire tumor of bij recidief hooggradige astrocytaire tumoren, is systemische chemotherapie (bijvoorbeeld PCV, Temozolomide) een optie. Bij recidief glioblastoma multiforme is de respons op Temozolomide beduidend slechter (6  tot 8%) en is chemotherapie (bijvoorbeeld PCV) alleen te overwegen in studieverband of bij een sterke behandelingswens. Locale intratumorale chemotherapie met BCNU leidt bij patiënten met een recidief glioblastoma multiforme tot een overlevingswinst van enkele maanden.

Andere behandelingen voor gliomen

Corticosteroïden

Corticosteroïden bestrijden het peritumorale oedeem en daarmee (een deel van) de klinische verschijnselen van de glioompatient. Gezien de bijwerkingen en interacties met andere medicatie is het streven om corticosteroïden zo kort als mogelijk, in een zo laag mogelijke dosering voor te schrijven. Met een dosering van tweemaal per dag kan worden volstaan.

Glucocorticoïden zoals dexamethason worden bij glioompatiënten toegepast ter bestrijding van het oedeem dat de tumor omringt en (een deel van) de klachten en verschijnselen veroor­zaakt. Het effect van dexamethason is binnen enkele uren tot enkele dagen merkbaar.. Gezien de halfwaardetijd van dexamethason kan met een dosering van twee­maal per dag worden volstaan. De dagdosis bedraagt 4 tot 16 mg, bij glioompatiënten is geen vergelijkend onderzoek verricht naar de optimale dagdosis. Naast bekende bijwerkingen, zoals osteoporose, diabetes mellitus en steroïdmyopathie kan door lever-enzyminductie interactie met andere medicatie optreden (bijvoorbeeld fenytoïne).

Maagbeschermers dienen te worden voorgeschreven bij gelijktijdig gebruik van NSAID´s of maagklachten in de anamnese.

Corticosteroïden beïnvloeden de bloedhersenbarrière, waardoor minder contrastlekkage optreedt bij CT of MRI onderzoek en er schijnbaar minder tumorweefsel is. Ook chemotherapie bereikt het tumorweefsel in vitro minder goed bij gelijktijdig gebruik van dexamethason. 

Omdat oedeem rond het laaggradig glioom meestal ontbreekt of van beperkte omvang is, worden corticosteroïden maar zelden toegepast bij patiënten met een laaggradig glioom in tegenstelling tot de patiënten met een hooggradig glioom.

Postoperatief moet dexamethason binnen dagen tot enkele weken worden afgebouwd en zo mogelijk gestaakt. Tijdens bestraling kan zich door vorming van oedeem een tijdelijke klinische verslechtering voordoen, waarvoor corticosteroïden worden gegeven. Corticoste­roïden worden niet standaard voorgeschreven tijdens radiotherapie.

Anti-epileptica

Profylactische anti-epileptica bij een glioompatiënt zijn niet zinvol.

Onderhoudstherapie met anti-epileptica wordt alleen toegepast indien zich insulten voordoen. Het is niet aangetoond dat postoperatieve profylaxe met anti-epileptica zinvol is.

Medicatie in de terminale fase

Behandelopties in de terminale fase van de glioompatiënt zijn dexamethason en morfine voor hoofdpijn, intraveneuze benzodiazepines voor onrust en insulten, en het acuut staken van dexamethason als de patiënt niet meer aanspreekbaar is.

In de terminale fase van een glioompatiënt met tekenen van intracraniële drukverhoging kan de dexamethason in één keer gestaakt worden als de patiënt niet meer aanspreekbaar is. De patiënt overlijdt dan doorgaans door progressief hersenoedeem al dan niet in combinatie met bijnierschorsinsufficiëntie.

Hoofdpijnklachten kunnen bij onvoldoende effect van dexamethason met morfine worden bestreden.

Het is zinvol om ook in de terminale fase anti-epileptische medicatie te continueren. Met intraveneus toegediende benzodiazepines, zoals midazolam, kunnen onrust en epileptische aanvallen in de terminale fase worden bestreden.

Experimentele behandelingen

Boron Neutron Capture Therapie, gentherapie en anti-angiogene medicatie zijn experimentele behandelingen voor hooggradige gliomen die in fase I en II studies onderzocht worden. Andere toedieningswijzen van chemotherapie (intra-arterieel) of hoge dosis chemotherapie met autologe beenmergtransplantatie hebben vooralsnog geen plaats in de behandeling van gliomen. De relatief gunstige resultaten van enkele studies zijn waarschijnlijk te verklaren door de selectie die ten grondslag ligt aan dergelijke intensieve behandelingen..

Follow-up en prognose

De prognose van de glioompatiënt wordt sterker bepaald door factoren van de tumor (classificatie en gradering) en de patiënt (leeftijd, mate van handicap) dan door de behandeling

Naast klinische follow-up heeft regelmatig beeldvormend onderzoek met name zin als er voor recidief tumorgroei behandelopties zijn.

Follow-up na behandeling van de glioompatiënt geschiedt bij voorkeur door één van de specialisten (neuroloog, neurochirurg, radiotherapeut of internist-oncoloog), die bij problemen moet overleggen met de andere specialisten.

Regelmatig beeldvormend onderzoek na behandeling van een glioompatiënt heeft met name  zin als er behandelingsconsequenties aan verbonden zijn bij recidief tumorgroei.

Recidief tumorgroei en radionecrose kunnen met beeldvorming moeilijk van elkaar te onder­scheiden zijn (zie diagnostiek). Ook bij locale radionecrose kan, evenals bij tumorgroei, door de ruimte-innemende werking de klinische toestand van de patiënt verslechteren. Soms moet er chirurgische behandeling plaatsvinden van radionecrose.

De prognose van de glioompatiënt hangt meer samen met factoren van de patiënt (leeftijd, mate van handicap) en de tumor (classificatie en grade­ring) dan met de behandeling. De mediane overleving van een patiënt met een laaggradig glioom varieert van 5 tot ruim 15 jaar. Bij het hoog­gradig glioom ligt deze tussen slechts 9 maanden voor het glioblastoma multiforme en 24 maanden voor het anaplastische astrocytoom. Patiënten met een oligodendroglioom of een mengglioom hebben een betere prognose dan astrocytoompatiënten.