Protocol Hersendoodcriteria m.b.t. donor-procedure    3-02-2010

  Het formeel vastleggen van de hersendood is alleen geïndiceerd bij comateuze patiënten waarvan de oorzaak van het coma bekend is èn die in principe als transplantaat-donor in aanmerking komen. In de praktijk gaat het dan om patiënten met een neurotrauma of cerebrovasculair accident.

Niet in aanmerking komen patiënten:

N.B. Bij kinderen tot 1 jaar is een eenmalige vaststelling van de klinische hersendood niet voldoende om het irreversibel afwezig zijn van de hersen­funkties met voldoende zekerheid vast te stellen. Een langere observatieperiode moet dan worden aangehouden, afhankelijk van de leeftijd (Wet op Orgaandonatie 2006, blz 5-6).

Diagnostiek bij kinderen, twee routes mogelijk:
 

a. herhaling van onderzoek (klinisch neurologisch, EEG, apneutest) na vereiste observatieperiode:
            – in de neonatale periode (eerste levensweek): 48 uur;
            – daarna tot de leeftijd van twee maanden: 24 uur;
            – in de leeftijd van twee tot twaalf maanden: 12 uur.
 

b. na eerste onderzoek (klinisch neurologisch, EEG, apneutest): TCD en daarna CTA.

Sinds de opstelling van richtlijnen door de Amerikaanse Task Force for the Determination of Brain Death in Children in 1987 zijn geen publicaties verschenen die voor kinderen na het eerste levensjaar een aparte procedure, zoals hantering van lange observatietijden, rechtvaardigen.

De hersendood wordt vastgesteld indien alle functies van de hersenen, inclusief die van de hersenstam afwezig zijn:

 1)    Een poging deze op te wekken wordt gedaan door het hoofd 30° te flecteren en door uitspuiten met 20 ml ijskoud water per oor met een  interval van enkele minuten.

 2)   Dit kan pas later optreden, terwijl er toch al sprake is van hersendood.

 3)   Reflexen of motorische reacties die via het ruggemerg verlopen, kunnen ook bij een hersendood aanwezig zijn.


Apneu-test:  Aangezien patiënten waarbij het onderzoek naar de hersendood wordt verricht, beademd worden met vaak als gevolg een hoge PaO2 en een lage PaCO2 moet er rekening gehouden worden met een fysiologische apneu van meerdere minuten, ook al zou de hersenstam normaal functioneren. Een veilige methode om zonder gevaar van hypoxie een maximale CO2 prikkel voor ademhaling te geven, is:

Indien de aanvankelijke pCO2-waarde groter of gelijk is aan 5.0 kPa, dient men de patiënt 10 minuten te beademen met 100% O2, waarna de kunstmatige beademing wordt losgekoppeld. Via de endotracheale tube wordt 6 liter O2(100%) per minuut toegediend. Na 10 minuten apneu wordt nogmaals arterieel bloed afgenomen voor bloedgasanalyse en vervolgens wordt de beademing hervat.

Bij een waarde lager dan 5.0 kPa wordt vooraf beademd met een gehalveerde ademminuutvo­lume met 100% O2. Vervolgens wordt de beademing losgekoppeld en wordt via de canule 6 liter O2 per minuut gegeven. Na 10 minuten apneu wordt een bloedgasanalyse gedaan en de beademing wordt weer hervat. Als de CO2-spanning de waarde van 7,98 kPa niet heeft bereikt, dan dient de test herhaald te worden met een langere apneuduur. Indien hemodynamische problemen een volledige uitvoering van de apneu test onmogelijk maken, wordt de patiënt hersendood beschouwd.

EEG: De volgens bovenstaande criteria vastgestelde klinische hersendood moet in geval van orgaan-transplantatie bevestigd worden door tenminste één iso-electrisch electro-encephalo­gram. Een tweede EEG is niet noodzakelijk.

Sinds de wetswijziging van 2006 mogen de apneu-test en EEG vervangen worden worden door Duplex en CTA indien er technische obstakels bestaan tegen de uitvoerbaarheid. Ook kan men Duplex en CTA maken, indien men vermoedt dat de apneu en het iso-electrische EEG veroorzaakt worden door farmaca.

Praktische uitvoering bij orgaandonatie:

De hersendood wordt op grond van bovenstaande klinische criteria vastgesteld. De hersen­dood wordt vastgesteld door een terzake deskundige en ervaren arts: een neuroloog of een neurochirurg. In geval van twijfel of onduidelijkheid kan deze arts zich laten bijstaan door een evenzeer terzake deskundig arts. In de praktijk betekent dit meestal dat de behandelend neuroloog in samenspraak met de senior arts-assistent neurologie de hersendood vaststellen en zich bij twijfel laten bijstaan door een niet behandelend neuroloog. De behandelend arts die beslist over de diagnostiek en die de verklaring van overlijden afgeeft, behoort dit gescheiden en onafhankelijk van het transplantatieteam te doen. Hierna wordt de transplantatie-coördinator gewaarschuwd. In overleg met de behandelend(e) specialist(en) (dus arts-assistent mèt supervisor) wordt bepaald wie met de familie spreekt en de diagnose (dus het overlijden) mededeelt. In overleg met de transplantatie-coördinator wordt vastgesteld of de overledene voor donatie in aanmerking komt. Is dit het geval dan wordt een  EEG vervaardigd. Als het EEG iso-electrisch is, wordt de familie om toestemming gevraagd voor orgaandonatie. De transplantatiecoördinator kan hierbij assisteren. De status wordt volledig ingevuld en het hersendood-formulier wordt door door de transplantatie-coördinator (TC controleert het hersendoodformulier, vult het niet in) en behandelend neuroloog ingevuld en in de status geplaatst.

Dit protocol is opgesteld in samenspraak met de transplantatiecoördinator, de afdeling Gezondheidsrecht van de UM, en de afdeling Juridische Zaken AZM (Mr. J. Smeets)

Literatuur:

Wet op de Orgaandonatie, Staatsblad

http://www.transplantatiestichting.nl/cms/index.php?page=protocollen

Hersendoodcriteria; richtlijnen van de Gezondheidsraad. GHM ten Velde en AC van Huffelen. Ned Tijdschr v Geneesk 1997 141: 77-79.

Brain Death. E.F.M. Wijdicks. Lippincott Williams & Wilkins, Philadelphia, 2001. ISBN 0-7817-3020-1